Erfgoed Gelderland

Quaco en Kasteel Rosendael

Door: Else Gootjes

Quaco is de hoofdpersoon in het eerste stripverhaal over het Nederlandse slavernijverleden, door Ineke Mok en Eric Heuvel (2019 herziene druk). Let wel: non-fictie! Het stripboek is gebaseerd op het waargebeurde verhaal van de in Guinee geboren Quaco.

Zijn leven blijkt verbonden aan Kasteel Rosendael, in het dorp Rozendaal bij Velp. Hoe kwam Quaco daar in de achttiende eeuw terecht? Wat is er te vinden over zijn leven en verblijf in Gelderland? Aan de hand van informatie uit het stripboek en enkele blogs van Ineke Mok een kort verhaal over Quaco en Kasteel Rosendael.

‘Futuboi’ en lijfeigene
Via John Gabriel Stedman (1744-1797), een Schots-Nederlandse kapitein krijgen we een inkijk in het leven van Quaco. Al is de informatie beperkt. Stedman komt in 1773 naar Suriname met als doel ten strijde te trekken tegen de marrons: de tot slaafgemaakten die vluchten van de plantages. Hij verblijft er gedurende vier jaar en houdt een dagboek bij met (aan)tekeningen van deze strijd. In 1796 wordt dit dagboek in Londen uitgegeven onder de titel:  Narrative of a Five Years Expedition against the Revolted Negroes of Surinam.

Uitsnede uit het stripboek Quaco: leven in Slavernij

Uit het dagboek van Stedman blijkt dat Quaco, voordat hij de zogenaamde futuboi – de persoonlijke bediende – van Stedman wordt, ‘eigendom’ is van de Schotse plantage eigenaar Walter Kennedy.  Stedman ontmoet Kennedy vlak nadat hij arriveert in Paramaribo.  Stedman: “Ik was uitgenodigd om te komen dineren bij de heer Kennedy (…) Hij leende mij zijn negerjongen om mijn parasol te dragen zolang ik in de kolonie ben”. Quaco is dan ongeveer 12 jaar. In 1775 koopt Stedman Quaco voor vijfhonderd gulden van Kennedy.  

Naar de Republiek

Als op 1 april 1777 de diensttijd van Stedman in Suriname er op zit, vertrekt hij samen met Quaco naar Holland. In een konvooi van zes schepen met manschappen en een lading koffie, katoen en cacao arriveren ze eind mei op Texel. Vanuit Texel reist Quaco per boot mee met Stedman om korte tijd te wonen in Den Bosch, Zutphen en Bergen op Zoom. In Zutphen en Bergen op Zoom gaat Quaco naar school. Ineke Mok: “Hij leert lezen, schrijven en hij krijgt godsdienstonderricht. Stedman betaalt zijn kleding, zijn schoenen, de was, de kapper en handschoenen (…) en nog op 28 augustus betaalt Stedman voor verblijf in Zutphen”.

Uitsnede uit brief archief ‘Huis Rosendael’, Gelders Archief, foto: Ineke Mok

Naar Kasteel Rosendael

Niet helemaal duidelijk is wanneer Quaco op Kasteel Rosendael arriveert. Stedman meldt in 1777 dat hij, met toestemming van Quaco zelf, hem ‘cadeau’ doet aan de barones van Rosendael: Eusebia Jacoba de Rode van Heeckeren, gehuwd met Assueer Jan Torck van Rosendael. Uit archieven die Ineke Mok onderzocht blijkt dat hij pas jaren later bij de familie Torck van Rosendael in dienst komt. Dan is Quaco inmiddels vrijverklaard (10 juli 1778).

Ineke Mok vond in het Gelders Archief nog een spoor van Quaco dat verband houdt met Kasteel Rosendael: een brief uit 1782/1783, van of aan – dat is onduidelijk – Betje, één van de dochters van de familie Torck van Rosendael. Er staat: ‘le swarte Willem, comment fait il avec son argent’(…). Quaco werd door de familie Torck van Rosendael “swarte Willem” genoemd.

Foto van het doopboek van de kerk van Rosendael, foto: Ineke Mok

De naam Willem is ook terug te vinden in de doopvermelding van Quaco op 13 november 1785 in het doopboek van de Nederduits Gereformeerde kerk van Rosendael. Vlak naast het kasteel. Bij zijn doopvermelding staat: ‘een Afrikaansche Moor in dienst van de WLHG (Weledelgeboren hooggeboren) heer van Rosendael’. Bij zijn doop krijgt hij de naam: Willem Stedman of Stidtman, vernoemd naar zijn eerdere meester.

Uitsnede uit het stripboek Quaco: leven in Slavernij

In 1790 wordt Quaco lid van de kerk van Someren in Brabant en vanaf dan is hij in dienst bij baron Assueer Jan Torck (1733-1793), heer van Rosendael op het nabijgelegen kasteel Asten.  In 1792 wordt hij hier om onduidelijke redenen weggestuurd.

Uitsnede uit het stripboek Quaco: Leven in Slavernij

Laatste teken van leven

Op 19 november 1792 monstert Quaco aan op het VOC-schip IJsselmonde. Vanuit Goederede in Zuid-Holland vertrekt hij als matroos naar Batavia waar hij in augustus 1793 arriveert.  Zijn naam is terug te vinden in het soldijboek: matroos Willem Stedman of Stidman, met daaraan toegevoegd: “van de kust van Guinee”. Op 31 oktober 1795 eindigt zijn contract bij de VOC. Dit is het – tot nu toe – laatste teken van leven van de dan ongeveer 32 jaar oude Quaco.


Sporen van Slavernijverleden

Meer lezen? In het stripverhaal over Quaco staan erg veel details over het leven van Quaco, vertelt vanuit een persoonlijk perspectief. Op de website van het stripboek staan ook meer bronnen en lesmateriaal.

Ineke Mok schrijft dit najaar nog een uitgebreid Spoor over Quaco in het kader van het project Sporen van Slavernijverleden in Gelderland en zij schreef eerder al een aantal blogs met veel historische informatie en uitleg rondom Quaco, te raadplegen via www.cultuursporen.nl