Erfgoed Gelderland

Neerbosch’ nieuws uit Het Oosten: Berichten van de Weesinrichting van Johannes van ’t Lindenhout

Door: Peter Altena

Wie vandaag bij Neerbosch via de brug over het Maaswaalkanaal gaat, vindt aan de andere kant te midden van industrie een kleine groene idylle: het kinderdorp Neerbosch, dat ruim een eeuw landelijke bekendheid genoot als de Weesinrichting, gesticht en geleid door Johannes van ’t Lindenhout. De rust, die nu te vinden is op het omsloten terrein van de weesinrichting, was er vele jaren niet te gast. ‘Neerbosch’, zoals de weesinrichting in de landelijke volksmond ging heten, telde immers tal van werkplaatsen, waar de weesjongens opgeleid werden tot timmerman, meubelmaker, kleermaker, smid, schilder, letterzetter, boekbinder of drukker. Alom bedrijvigheid! De meisjes werden in stiller omgeving opgeleid tot dienstmeisje, ook werkten zij in de wasserij.

Johannes van ’t Lindenhout, een boerenzoon uit Beuningen, die zich geroepen voelde om zijn christelijk geloof in daden om te zetten, opende in 1863 in de Nijmeegse benedenstad een weeshuis, maar al snel was de toeloop zo groot dat hij naar passender ruimte moest zoeken. Die vond hij in het landelijke Neerbosch, op veilige afstand van de verlokkingen van de stad. Daar bouwde Van ’t Lindenhout zijn weeshuis uit tot een in veel opzichten zelfvoorzienend kinderdorp. De weesinrichting kon veel zelf, maar was uiteindelijk afhankelijk van giften die welgezinde burgers naar Neerbosch zonden.

Portret van Johannes van ‘t Lindenhout (1837-1918) door Jan Hendrik Scheltema

Marketing avant la lettre

Bij het op gang brengen en houden van de landelijke goedgeefsheid speelde publiciteit een belangrijke rol. Van ’t Lindenhout had een tijdje in Amerika doorgebracht en daar had hij gezien dat de pers een factor van belang was. Het succes van de weesinrichting Neerbosch is dan ook niet los te zien van Van ’t Lindenhouts overtuigende inzet van de media. Na verloop van tijd raakte hij bijna verslaafd aan het schrijven en uitgeven: ‘Het is merkwaardig dat iemand die eenmaal voor de pers werkt, als ’t ware telkens als door een pers wordt voortgedreven, weleens ten koste van zijn zenuwgestel, om steeds meer te doen.’ In zijn laatste autobiografie, getiteld Lichtstralen, noteerde Van ’t Lindenhout dat hij dan steeds ‘weer een nieuw tijdschrift’ toevoegde aan de reeks die hij al uitgaf.

De publiciteit had als doel om zoveel mogelijk mensen te laten weten dat er in Neerbosch goed, door God gezegend werk werd verricht en dat dat werk onophoudelijk ondersteuning behoefde. In die publiciteit laat zich een aantal aanvalslijnen onderscheiden: allereerst de periodieke en unieke boekwerken, die geproduceerd werden door de drukpersen van de Weesinrichting en de Neerbossche nood schetsten, daarnaast waren er de landelijke tournees, waarbij de stichter, soms vergezeld van zijn zoon Jacob, door het land trok en in kerken en zaaltjes het verhaal van Neerbosch vertelde. De persoon Van ’t Lindenhout speelde in die publiciteit een doorslaggevende rol: hij was ‘monsieur Neerbosch’. Die rol speelde hij met verve. Wie onwelwillend wil zijn, kan Van ’t Lindenhout hier beschuldigen van zelfverheerlijking. Daar zal wel iets van aan zijn geweest, maar tegelijkertijd gaf hij de opvang van wezen een gezicht. Niet voor niets liet hij zich graag de eretitel ‘weesvader’ aanmeten en koesterde hij de gezinsmetafoor in zijn denken en schrijven over de weesinrichting: de kinderen hadden dan geen vader en moeder meer, maar in Neerbosch vonden zij een nieuw thuis en Van ’t Lindenhout en zijn vrouw vervulden daarbij de rol van nieuwe ouders.

Van heel wat boeken, die in Neerbosch gedrukt werden, was hij de auteur: de weesvader vertelt! Behalve Betuwse dorpsvertellingen schreef hij een aantal autobiografieën, soms oogden die als geschiedschrijving van de Weesinrichting, soms lieten ze de omweg onbenut en verhaalden ze rechttoe rechtaan het leven van de auteur. Hij liet zich niet enkel in geschrifte zien, maar ook portretteren en fotograferen: op die afbeeldingen verschijnt hij als een nogal corpulente man met machtige bakkebaarden. Zo is er het portret dat Jan Hendrik Scheltema van Van ’t Lindenhout in 1886 maakte. De weesvader was vijftig en misschien is het portret wel gemaakt bij gelegenheid van diens vijftigste verjaardag. Van ’t Lindenhout kijkt er de kijker van het portret aan, de bakkebaarden benadrukken het ontbreken van een baard. Zijn wangen zijn rood, alsof hij net van buiten komt. Hij is gekleed in stemmig zwart, met daarbij een wit frontje en een randje van een wit overhemd. Met zijn borst en buik vult hij het schilderij. Het opvallendst detail is dat hij in zijn beringde rechterhand, tussen duim en wijsvinger, een blad houdt: Het Oosten.

Wat is dat voor een blad en waarom is juist dat blad uitverkoren om met de stichter vereeuwigd te worden?

Titelpagina van Het Oosten

Het Oosten

Het blad Het Oosten, dat in 1871 zijn eerste jaargang beleefde,had als ondertitel: ‘Weekblad gewijd aan Christelijke Philanthropie’. Het blad zou tot in 1964 bestaan, al liet in de twintigste eeuw de ondertitel uitschijnen dat de pretenties van het blad wat bescheidener waren: het werd ‘Wekelijksch orgaan der weesinrichting te Neerbosch’.

In Het Oosten was wekelijks een ‘Kroniek der Weesinrichting’ te lezen en de chroniqueur van dienst was altijd de directeur, eerst Van ’t Lindenhout, nadien zijn opvolgers, dominee Schrijver en dominee Kluin. Ook in de jaarlijks verschijnende Weezen almanak was een gedetailleerd ‘Verslag der Weesinrichting’ van het voorbije jaar te vinden en dat verslag had globaal dezelfde functie als de wekelijkse ‘Kroniek’ in Het Oosten. Er waren ook verschillen: het ‘Verslag’ bevatte net als de ‘Kroniek’ roerende levensverhalen van gestorven of miraculeus herstelde weeskinderen, maar het had meer het karakter van een verantwoording, een jaarlijkse balans.

In de ‘Kroniek’ kon de lezer van week tot week volgen wat er gebeurde. In 1899 bijvoorbeeld lees je begin januari dat het weeskind Izaäk Faro ‘te bed’ ligt en ‘weder een operatie aan zijn been’ heeft moeten ondergaan, midden januari ligt hij nog steeds te bed, maar gelukkig gaat het in latere kronieken langzaam beter. In februari van dat jaar klinkt droefenis door over de dood van het kleine weeskind Niesje Vermeer, dat ‘lijdende in de Weesinrichting gebracht’ werd, maar overleed: ‘De Heer heeft het echter anders gewild en wij moeten zwijgen. In den hemel moeten ook kleine kindertjes zijn.’ Het valt niet mee om vandaag de dag dergelijke woorden van troost zonder opkomende woede te lezen, maar die dreigende boosheid laat vooral zien dat er tussen Neerbosch van 1899 en de lezer van nu een bijna onoverbrugbare afstand is gegroeid.

Het Oosten gaf dus wekelijks bericht uit Neerbosch en volgde het leven in de Weesinrichting op de voet. De lezer waande zich in Neerbosch. Voor veel lezers gold dat zij zich lezenderwijs ‘weer’ in Neerbosch bevonden. De weeskinderen die Neerbosch verlieten en als jonge volwassenen uitvlogen, kregen gedurende een half jaar Het Oosten gratis en daarbij de klemmende oproep om daarna abonnee te worden. Het lijkt erop dat heel wat oud-wezen gehoor gaven aan die oproep en dat het blad de band met Neerbosch voortzette. Sterker dan in zijn andere bladen schiep Van ’t Lindenhout met zijn kronieken als het ware een gemeenschap van wezen en oud-wezen.

Advertentie Net Meisje – Het Oosten, woensdag 13 mei 1931

Kindermishandeling en verwaarlozing

Dat die gemeenschap stand hield, bleek in de donkere dagen van de weesinrichting. In 1893 werd de aanval geopend op Neerbosch en in het bijzonder op Van ’t Lindenhout: in brochures en nadien ook in de pers werden verhalen over kindermishandeling en verwaarlozing breed uitgemeten, het kwam tot een tijdrovend onderzoek. Uit dat onderzoek bleek onder meer dat de weesvader, in de ban van het nerveuze en noodzakelijke schrijven en uitgeven, het toezicht op de wezenzorg aan anderen had overgelaten. In de loop van het onderzoek kelderde de oplage van de meeste periodieken van Neerbosch, alleen die van Het Oosten handhaafde zich op het oude niveau van 4000 exemplaren. Van ’t Lindenhout concludeerde dat de gemeenschap van wezen en oud-wezen nog altijd bestond en hem en de weesinrichting niet in de steek liet. Daarin las hij dan de instemming van God.


Van ‘t Lindenhoutmuseum

Het tijdschrift Het Oosten is een fantastische bron voor wie het leven in de weesinrichting van week tot week wil volgen. Het tijdschrift is door de Koninklijke Bibliotheek integraal gedigitaliseerd en is beschikbaar via Delpher. In het museum is het boekje Druk geweest in Neerbosch. Een eeuw drukken en uitgeven in de weesinrichting (1870-1965), geschreven door Marga Altena, Peter Altena en Henk Rullmann te koop. Voor wie meer over de fantastische figuur van Johannes van ’t Lindenhout wil weten, verwijs ik naar Joost Rosendaal, Johannes van ’t Lindenhout, vader van 20.000 kinderen (2013), een uitgave van het Museum.

Dit artikel verscheen eerder in het Nijmeegs Katern 29 (2015), nr. 4, p.50-54.  (Tijdschrift van de historische vereniging Numaga) en is geschreven door Peter Altena.