Rob van Oijen

Avontuur, aantrekkelijke arbeidsvoorwaarden en een dosis idealisme

Dit verhaal is een bewerkte versie van een artikel van Liesbeth Hesselink (Stichting Historisch Verpleegkundig Bezit)

Ze waren totaal onvoorbereid; de eerste Nederlandse verpleegsters die begin twintigste eeuw naar Indië reisden. De zusters werden gelokt door het avontuur, goede arbeidsvoorwaarden en/of een goede dosis idealisme. Aangekomen in het Oosten viel hun exotische verblijf vaak erg tegen.

Ze kwamen terecht in particuliere ziekenhuizen, maar ook in militaire hospitalen. De verpleegsters waren nodig omdat het aantal Nederlandse inwoners in de archipel groeide.

Welke voorstelling zou Barbara Lind – een zuster in het Amsterdamse Wilhelmina Gasthuis (WG) – van haar toekomstige arbeidsterrein hebben gehad, toen ze besloot ontslag te nemen? Barbara liet zich door het Nederlandse Rode Kruis uitzenden naar Aceh. Ze kreeg een plaats in het militair hospitaal van de hoofdstad (nu Banda Aceh, toen Kota Radja).

Ze vond het er bar ongezellig. “Wat miste ik in ’t begin de gezellige zalen van het W.G., de tafels en tafeltjes met mooie planten, de wachtlamp met mooie lampenkap, de spreien, de nachtkastjes, ja, zelfs de stoelen!’ Blijkbaar had zij zich geen voorstelling gemaakt – kunnen maken – van de situatie in een militair hospitaal. En dan nog in Aceh, waar toen nog steeds een oorlog woedde.

Haar collega C.M.L. Anken vertelde in een ingezonden stuk dat hun werk in het ziekenhuis werd ‘gecombineerd met dat der hospitaalsoldaten, ruw, niet voldoend, dikwijls geheel ongeschoold personeel. Ik gaf mijn gevoelen hierover schriftelijk te kennen aan de president van het “Ind. Rode Kruis”, doch dit bleef onbeantwoord.’

Motieven

Nel Stokvis-Cohen Stuart – van 1908 tot 1928 werkzaam in Indië als arts – gaf in een artikel een opsomming van de voordelen van een baan als verpleegster in de kolonie. “(…) de interessante reis, welke men gaat maken; de verruiming van geest, die natuurlijk gepaard gaat met het verblijf in een ander milieu dan het van ouds bekende; een goed salaris; recht op verlof, dat betekent: een maandenlange, heerlijke vakantie in Europa met gelegenheid tot reizen en plezier maken onder het genot van een behoorlijk verlofstraktement; en – last but not least – het besef, dat men niet tot z’n vijfenzestigste jaar behoeft te werken om pensioengerechtigd te zijn.” Na twintig jaar dienst had je recht op pensioen.

Kortom, het avontuur en goede arbeidsvoorwaarden lokte Nel naar Indië. Overigens was zij van mening dat men niet zozeer vanwege de persoonlijke voordelen naar Indië moest gaan als wel ‘om het werk zelf’. “Want in Indië komt men krachten te kort; ik bedoel dan krachten, die zich richten op maatschappelijken arbeid, en wien het niet alleen en ook niet in hoofdzaak te doen is om voor zichzelf een middel van bestaan te vinden, maar die beseffen hoezeer in vele opzichten land en volk daar nog achter zijn en te kort komen, en het als een plicht en voorrecht beschouwen, de achterstand te helpen inhalen.’ Een zekere dosis idealisme hoorde er wat Stokvis dus ook bij.

Huwelijkspartner

Stokvis-Cohen Stuart noemde niet het huwelijk als mogelijk motief om naar de kolonie te gaan. Toch zijn er vast verpleegsters geweest die er een huwelijkspartner hoopten te vinden. In ieder geval was die kans best groot in een land met een overschot aan Europese mannen, zoals Indië op dat moment. Er zijn dan ook legio voorbeelden van verpleegsters die stopten met werken omdat ze gingen trouwen.

Een huwelijk betekende dat de werkgever in Nederland een vervangster moest zoeken en dat was lang niet eenvoudig en bovendien was het slecht voor de continuïteit in het betreffende ziekenhuis. De zending reageerde dan ook lang niet altijd positief op de aankondiging van een huwelijk: ‘‘Wij kunnen niet ontkennen dat dat bericht ons teleurstelde (…)  Maar geen verwijt. (…) Wij hopen zeer dat U Uw huwelijk zult kunnen uitstellen totdat in de vervulling der door Uw vertrek ontstaande vacature zal zijn voorzien.’

Ziekenhuizen

In Nieuw Oost-Indië waren tot ongeveer 1900 alleen militaire ziekenhuizen. Indonesiërs werden thuis verpleegd en gingen zeker niet naar een westers ziekenhuis. De weinige Europeanen die in de kolonie woonden, werden thuis verpleegd. Militairen werden ook thuis verpleegd, dat wil zeggen: in het militaire ziekenhuis behorende bij hun garnizoen.

In de tweede helft van de negentiende eeuw veranderde de situatie in de ziekenhuizen. Door de toegenomen medisch-wetenschappelijke kennis kwam in de ziekenhuizen de nadruk te liggen op behandeling en genezing. En dus ontstond de behoefte aan deskundig verplegend personeel. Bovendien waren er inmiddels veel meer Europeanen in de kolonie en was er dus meer behoefte aan goede ziekenverzorging, zowel thuis als in een ziekenhuis. De meeste Europeanen in de kolonie woonden op Java en dan vooral in de hoofdstad Batavia.

Wennen aan de warmte

De ervaringen van de Nederlandse verpleegsters op het werken in de tropen zijn heel verschillend. Maar er was één overeenkomst: het totaal andere klimaat was wel even wennen. Lang niet iedereen kon tegen de warmte, sommigen werden er zelfs zo ziek van dat ze terug moesten naar Nederland, zoals de dochter van Abraham Kuyper.

Je moest van te voren worden gekeurd. Een predikant beval op haar verzoek een verpleegster aan bij de zending: ‘’t Is een flinke zuster, kerngezond en ijverig en opgewekt, ze heeft nu de  leiding in de derde klasse. (…) , ze is lidmaat van de Hervormde Kerk.’ Zijn aanbeveling begint met flink en kerngezond, niet onbelangrijk gezien het klimaat.

Een ‘vreemden indruk’

Er waren grote verschillen in de werkomgeving en de patiënten. Het maakte nogal uit of een verpleegster kwam te werken in een ziekenhuis in een stad als Batavia – met veel Europese patiënten – of in een zendingsziekenhuisje in the bush in Noord Sulawesi – met louter inheemse patiënten of bij patiënten thuis.

Dit is de ziekenzaal voor inheemse vrouwen in het Cikini ziekenhuis te Batavia. Het meest luxueuze ziekenhuis in de kolonie getuige de stenen vloer, de keurig opgemaakte bedden en zelfs een bloemetje op het tafeltje tussen de bedden.

De situatie in het Cikini hospitaal leek uiterlijk heel erg op die in een Nederlands ziekenhuis. Totaal anders was de situatie in het Petronella ziekenhuis, een ziekenhuis van de zending te Yogyakarta. “De ziekenzalen maakten bij den eersten aanblik een vreemden indruk. Er ligt iets kaals en sombers over het geheel voor een Hollandsch oog, de bedden hebben geen lakens, alleen een deken, die overdag aan het voeteneinde ligt saamgevouwen, op de bedden ligt geen matras, maar een gevlochten matje. (…) Een Hollandsche mist hier al de heldere witte lakens, ’t witte nachtgoed en de vrolijke zonneschijn die naar binnen stroomt.’

Thuisverpleging

R. Römer, arts in Deli, wees erop dat het leven en werken van een verpleegster in de tropen totaal verschillend was van dat in Nederland. Zeker als zij als particulier verpleegster ging werken. In Indië moest een zuster veel zelfstandiger werken dan in Nederland. Door de gebrekkige infrastructuur was de dokter vaak uren verwijderd. Bovendien waren er veel minder dokteren. Toch moest een verpleegster zich niet gaan gedragen ‘als ware zij de collega van de medicus’ waarschuwde hij.

Door de slechte wegen en het slechte drinkwater lag een ongeluk op de loer. Bovendien was een groot deel van de Europese mannelijke bevolking ongehuwd en leefde daardoor vaak ruw en onbeschaafd. De verpleegster kon behalve door haar deskundig optreden, door haar geestelijk en moreel overwicht een heilzame invloed op haar omgeving en patiënten uitoefenen. Dit lukte wel in een ziekenhuis, maar in de woning van de patiënt is het moeilijker. Impliciet waarschuwde hij hier voor mogelijke avances van ongehuwde mannen.

Onder het bed

Zusters die kersvers uit Europa kwamen moesten vaak wennen aan de gewoonten van de patiënten en hun familie. Rijkere patiënten namen vaak hun eigen baboe mee die de was deed, de kamer dweilde. Een zendelingzuster merkte in de 1920s op: ’ Ik ben er inmiddels aan gewend dat als ik ’s avonds het ziekenhuis nog eens rondga, dat vele patiënten dan niet in hun bed liggen, maar eronder. Wij moeten heel wat prijsgeven van onze westerse ideeën.’

Een andere zuster schreef: ‘Het bezoek zat of op het bed van de patiënt of lag er in als de patiënt even buiten liep; anderen zaten op de grond, ‘nu dat moet wel, want stoelen zijn er niet’, merkte ze nuchter op.

De zuster als docent

De voornaamste taak voor de meeste Europese zusters was het opleiden van inheemse verpleegsters. Natuurlijk waren verpleegsters in Nederland ook wel gewend aan het opleiden van leerlingen, maar een Nederlandse leerling was niet te vergelijken met die in de kolonie, waar een vooropleiding geheel of gedeeltelijk ontbrak.

In de bronnen wordt ook duidelijk dat het opleiden in Indië geen sinecure was. De vooropleiding met name bij meisjes was zeer gering. Legio zijn de klachten over hun gebrekkig verantwoordelijkheidsgevoel, hun andere normen en waarden: ’Dat een gefingeerde temperatuurlijst niet hetzelfde is als een, die op nauwkeurige waarneming berust, is hem niet dadelijk duidelijk. Tegenover een patiënt desnoods hard zijn valt hen moeilijk, een wond geheel te reinigen wanneer dit pijn doet, wanneer de zieke zich verzet, is weleens een geduldoefening die hem te zwaar valt.’

De arts Mej. W. Valk, die rond 1920 aan het hoofd stond van de kraamkliniek Boedi Kemoeliaan in Batavia vertelde dat de leerling-verpleegsters dol waren op de lessen, op theorie, maar niet op haar werk…’Men zou zoo zeggen, zij als Inlandsche tegenover Inlanders moesten geheel bezield zijn van innig verlangen, om haar volk te helpen en vooruit te brengen. Maar daar merk je nooit iets van…” En dan verhaalt ze staaltjes van liefdeloosheid, ja wreedheid, tegenover zieke kinderen, van plichtsverzuim en gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel, zoo groef, dat men wel tot de conclusie moet komen, dat het idee der algemeene menschenliefde geen deel uitmaakt van haar mentaliteit.’

Aparte tafels

De Europese verpleegsters aten lang niet altijd samen met hun inheemse collega’s. Misschien wilden beide groepen liever onder elkaar zijn, in de eigen taal spreken. Bij de inspectie van het ziekenhuis te Kebumen (Central Java) in 1925 gaven de visitatoren – L. Netelenbos en A. Pos – aan dat de verpleegsters wel gezamenlijk zouden moeten eten. Misschien ter bevordering van de onderlinge teamgeest, misschien omdat de Europese zusters ook tijdens de maaltijd hun voorbeeldfunctie konden uitoefenen.

Stichting Historisch Bezit

Dit verhaal is een bewerkte versie van een artikel van Liesbeth Hesselink van de Stichting Historisch Verpleegkundig Bezit. De stichting bezit een grote collectie verpleegkundige objecten en boeken.

De stichting van Liesbeth werkt regelmatig samen met het Florence Nightingale Instituut. Het FNI beschikt over een verpleegkundige collectie bestaande uit foto’s, egodocumenten, boeken en objecten.