Jelle van de Graaf

Anne Pierson-Vos, herinneringen aan de Oost teruggevonden in Gelderland

Door Jelle van de Graaf en Elmar van de Ree

Midden in de Indonesische Onafhankelijkheidsstrijd was Anne Pierson-Vos een jaar lang, van mei 1946 tot en met mei 1947, secretaresse van gouverneur-generaal Huib van Mook. Voor het Erfgoedfestival interviewden we de nu honderdjarige Vos over haar herinneringen aan deze roerige tijden in de Oost.

De honderdjarige Vos. Foto: Jelle van de Graaf

De impact van WOII

De kiem voor haar wens om naar het buitenland te vertrekken, werd gelegd tijdens de Tweede Wereldoorlog. “Ik hoorde in de oorlog de speech van Wilhelmina over de herziening van de relatie van Nederland en Nederlands-Indië. Daar kon ik me wel in vinden: wij waren immers ook bezet door de Duitsers. Na de oorlog wilde ik weg uit Nederland, het was te moeilijk, mijn broer had dat ook, die ging naar Amerika. Het maakte diepe indruk dat mijn vader met de Jodenster moest lopen, er werd thuis nooit over het geloof gesproken. Op de eerste dag van de oorlog verloor ik mijn vriend, in maart 1945 verloor ik mijn nieuwe vriend met wie ik plannen had. Zowel mijn vader als oudste broer werden weggehaald, dus kwam ik aan het hoofd van het gezin.” Deze ingrijpende ervaringen zorgden ervoor dat Vos weg wilde uit Nederland. Haar kans hierop kwam een jaar na de Bevrijding, in mei 1946, toen van Mook haar toenmalige baas schreef: hij had een nieuwe secretaresse nodig in Nederlands-Indië!

Liefde op het eerste gezicht

“Van Mook ging ervanuit dat het in zes maanden was opgelost in Indonesië. Hij vroeg, alsof ik een pakketje was, of hij me zes maanden [van mijn toenmalige baas] mocht lenen.” Vos werd eigenlijk meteen in het diepe gegooid. ‘’Ik ging er in mei 1946 totaal onvoorbereid naartoe, want ik wist bijna niets over Indonesië, alleen dat het nog in oorlog was. Mijn voorgangster Ro Stokdijk vertrok en ik kon niet anders doen dan functioneren.’’ Ze liet het allemaal dus maar op zich afkomen, of ‘you go with the flow’, zoals ze het zelf omschrijft. “Net aangekomen en opgehaald bij het vliegtuig gingen we naar de eerste lunch. Van Mook zei gelijk: ‘Ik ga je Vosje noemen’, en toen ging ik aan het werk, met vier telefoonlijnen voor de neus.”

Vos aan het werk met Huib van Mook. Foto: privé-archief Vos

“Wat ik zelf ook nog zo opmerkelijk vind, is dat zodra het vliegtuig stilstond en ik naar buiten keek, ik dacht: ik ben thuis, ik voel me thuis. Meteen! Liefde op het eerste gezicht. Terwijl ik op de landkaart moest zoeken waar het land lag en ik nog nooit van Soekarno had gehoord.’’

Dagelijkse praktijk en bijzondere uitstapjes

Hoewel het werk als secretaresse nauwelijks verschilde van vergelijkbaar werk dat ze eerder in Nederland had gedaan, waren er toch wel meer verantwoordelijkheden. Vanuit Nederland moest ze namelijk een koffertje met belangrijke codes meebrengen naar Van Mook. “De code mocht je nooit kwijtraken, dus tijdens verschillende tussenstops op de reis sliep ik ermee onder mijn hoofdkussen. De code was voor geheime telegrammen die van en naar Den Haag werden gestuurd. We waren in mei ‘46 niet echt in oorlog, maar ook niet in harmonie: de codes waren nog altijd nodig.” Van Mook had niet altijd een goede verstandhouding met Nederlandse ministers, dat had allemaal met politiek te maken, maar, zo vertelt Vos: ‘’ik kon de frustraties van Van Mook wel weglachen. Ik had een mapje genaamd ‘onnodige opwinding’ opgericht, met daarin onder andere onterechte ontslagbrieven.”

Ondanks de veilige omgeving van het paleis en de conferentiezalen, kwam ook de dreiging van oorlog af en toe dichtbij. Er bestond toen namelijk nog een demarcatielijn, waar militaire troepen gestationeerd waren. ‘’Eén van de medewerkers van Van Mook vroeg op een gegeven moment: ‘heb je zin om zo’n demarcatielijn te bezoeken, dan zie je nog eens wat?’ Ik zei ja, daar was ik wel voor te vinden. Dus hij had een sergeant van het leger meegenomen. Met een klein groepje vertrokken we om 17.00 uur.”

“We hadden nog niet zo gek ver gereisd, toen om 18.00 uur het bestand opgeheven werd en militairen naar elkaar begonnen te schieten. Dat gebeurde af en toe in die tijd. We moesten zorgen dat we op tijd terug waren, want opeens bevonden we ons nu in vijandig gebied. Juist op dat moment kregen we een lekke band. Ik dacht: vervelend, maar we leggen er een nieuwe band op en we kunnen weer door. Niet dus. Er bleek geen reserveband te zijn.”

“Toen zijn we maar gaan lopen; dat was helemaal niet zo leuk hoor. Op een gegeven moment kwamen we een karretje tegen, met een paard ervoor en mensen erin. Die kochten we eruit en daarmee gingen we naar de eerstvolgende post waar een telefoon was. Inmiddels was het een uur of zeven, half acht geworden en ik had mij eigenlijk om half zeven bij Van Mook moeten melden, maar ik kwam niet opdagen. Dus Van Mook ging navragen waar ik was. Het hele paleis schoot werkelijk wakker. En toen kregen ze telefoon. Naderhand werd ik bij Van Mook geroepen en omhelsd als een verloren dochter. Van Mook vroeg: ‘hoe heeft dat kunnen gebeuren, waar hadden jullie die lekke band?’ Het feit dat er geen reserveband was, was natuurlijk ook zeer onverantwoordelijk. Later werd die arme sergeant gedegradeerd tot soldaat.”

“Dit voorval maakte een diepe indruk op me. Ik besefte dat het geen kleinigheid was wat we hadden meegemaakt. Ineens was je op vijandelijk gebied en moest je zorgen dat je op tijd weer thuis was. Toen begon ik me eigenlijk pas te realiseren dat het helemaal niet zo veilig was. Ze schoten nog in de straten. Ik was misschien nog te naïef en te jong om de hele toestand die zich had afgespeeld, toen in volle ernst door te hebben.”

“Tegelijkertijd was het natuurlijk ook enorm interessant voor mij om dit alles te mogen meemaken. Geloof maar dat het met pracht en praal ging. Ik kwam uit een oorlog, en plots zat ik in Malino [een plaats op het eiland Sulawesi, red.], met mensen op paarden in vol ornaat die daar een parade hielden. Ik zat altijd met mijn neus vooraan, wist niet wat me overkwam. Ik zat daar als een prinses in een paleis.

Linggadjati

Het achteraf gezien meest historische moment dat Vos meemaakte in Nederlands-Indië, waren de onderhandelingen rondom en het tekenen van het Akkord van Linggadjati.

Het gezelschap op de boot naar Linggadjati (links Anne Vos). Foto: privé-archief Vos

Vos noemt de afwikkeling van het Akkoord een “treurige geschiedenis”. De beste herinnering uit het jaar bij Van Mook in Nederlands-Indië is voor haar echter de teamgeest. “We waren natuurlijk op onze eigen manier allemaal vóór de gedachte van een vrij en gelukkig Indonesië. Daar zette iedereen zich voor in, met die gedachte was iedereen bezig. Maar het moest niet meteen morgen of overmorgen, er moest natuurlijk ook over onderhandeld worden. We wilden natuurlijk niet alles zomaar prijsgeven, maar juist samenwerken en tot overeenstemming komen.” Helaas kwam er geen vreedzaam Akkoord van Linggadjati, maar de eerste van wat toen de ‘Politionele Acties’ werden genoemd. Met recht een ‘’treurige geschiedenis’’ dus. Niet lang na de initiële ondertekening van het Akkoord, in maart 1947, vertrok Vos weer bij Van Mook.

Terugkeer

Later, in 1953, kwam Vos met haar gezin terug in Indonesië. ‘’Mijn man had contact met de minister van Voorlichting, een vrouw, en die kwam een keer bij ons dineren. En mijn kinderen fietsten daar nog rond op fietsjes. Ik had haar namelijk gevraagd om om 19.30 uur te komen, maar ze was er al een half uur eerder, dus die kinderen werden nog even losgelaten in de tuin zodat de kinderjuffrouw ze daarna naar bed kon brengen. En mijn zoontje riep op een gegeven moment: ‘mama, er is een baboe met een tas!’ Kun je je voorstellen! Wij durfden niet meer naar beneden te komen.’’ Gelukkig kon er al snel gelachen worden om dit misverstand. Uiteindelijk nam de minister ‘wraak’ hierop toen Vos met haar zoontje een tegenbezoek maakte. ‘’Ze zei over mijn zoon: ‘ach wat een lief jongetje, die moet even in de tuin.’ En hij werd prompt door een aap gebeten. Gelijk had ze!’’

Museum Bronbeek en Stichting Indisch Erfgoed

Gelukkig zijn er instellingen zoals Museum Bronbeek en Stichting Indisch Erfgoed. Dankzij deze stichtingen blijven de herinneringen aan de tijd in ‘de Oost’ voor onder meer ooggetuigen zoals Anne Pierson-Vos levend. Vos: “Via-via zijn ze mij op het spoor gekomen, en hier om de hoek bleken twee mannen te wonen met wie ik kan meerijden naar bijeenkomsten op Bronbeek. Al zeker acht jaar bezoek ik de lezingen.”